Opvoedingsvragen

Studievraag: hoe verbeter je het pedagogisch beleid?

Ik zit in het laatste jaar van mijn studie Gespecialiseerd pedagogisch werker niveau 4. Ik wil een knelpunt uit het pedagogisch beleid aan te pakken. Het is zo: op ons kinderdagverblijf wordt er te snel ingegrepen, geholpen en voorgedaan. Bijvoorbeeld: Kinderen hebben een conflict en schreeuwen tegen elkaar, vervolgens kijken ze naar de pedagogisch werker. De pedagogisch werker grijpt direct in. Mijn vraag is: Waarom is het zo belangrijk te wachten met ingrijpen, helpen en voordoen en heeft u ook tips voor ons om dit minder snel te doen?

Het is interessant dat je zegt dat er te snel wordt ingegrepen op het kinderdagverblijf, maar tegelijkertijd de vraag stelt waarom het zo belangrijk is om te wachten met ingrijpen. Ik neem aan dat je zelf namelijk wel een idee hebt dat er iets gebeurt wat niet goed is, als je mij vertelt dat er te snel wordt ingegrepen.

Het is altijd van belang om je gevoel te onderzoeken. Ik ben niet op het dagverblijf aanwezig, dus kan niet checken wat er exact gebeurt, maar jij was daar kennelijk wel bij.

Het kan je helpen om het volgende te doen: gebruik het zogenaamde S-G-G schema, dat is gebaseerd op de leertheorie. De S staat voor de situatie, de eerste G staat voor het gedrag van het kind, en de tweede G staat voor het gevolg van dit gedrag. Je kunt per casus invullen wat er precies speelt. Begin altijd met de eerste G. Dus met het gedrag dat kennelijk stoort. Je hebt het over een conflict.

Dus beschrijf wat het conflict is. Probeer dit zo uitgebreid mogelijk te doen zodat je een goed beeld hebt. Daarna beschrijf je de situatie waarin dit gedrag kon ontstaan. Ook dit doe je uitgebreid. En tot slot beschrijf je het gevolg van dit gedrag. In jouw geval is dit dus kennelijk het ingrijpen van de pedagogisch werker. Wat doet die persoon precies. En wat gebeurt er nog meer? Wat gebeurt er eigenlijk nadat de pedagogisch werker heeft ingegrepen?

Het kan bijvoorbeeld van belang zijn om te zien of de kinderen hierdoor tevreden zijn, of beiden er voordeel bij hebben of niet. En wat de kinderen daarna gaan doen. Bijvoorbeeld: start de ruzie meteen weer? Of gebeurt er iets anders. Als je de casus op die manier in beeld brengt kun je ontdekken waar de schoen wringt. Soms komen kinderen steeds in een conflict terecht door de omgeving waarin ze zich bevinden. In dat geval is het van belang om te kijken of de situatie aangepakt kan worden.

Als er te weinig speeltjes zijn, als kinderen te dicht op elkaar zitten, als kinderen verleid worden tot het kapotmaken van spullen die te gemakkelijk bereikbaar zijn… het zijn allemaal dingen in een situatie die soms eenvoudig oplosbaar zijn. Daarmee kun je veel voorkomen. Maar het is daarnaast van belang te kijken wat het gevolg van het gedrag is.

Als kinderen weten dat ze met hun gedrag aandacht van leiding krijgen, dan kan het namelijk zo zijn dat het conflict op een gegeven moment een soort ‘ritueel’ wordt om aandacht te krijgen. Je ziet dit ook veel in gezinnen gebeuren. Een ruzie kan een manier zijn om aandacht te krijgen. Kinderen vinden deze negatieve aandacht ook goed. Blijkt dat de ruzie deze functie heeft gekregen, dan is het van belang om te inventariseren of de kinderen op een andere manier ook voldoende aandacht krijgen.

Soms is een kind steeds zo lastig dat hij ontdekt dat hij met dit negatieve gedrag meer aandacht krijgt dan met positief gedrag. De balans is dan naar de verkeerde kant doorgeslagen. In dat geval is het goed om gestructureerd de aandacht anders te gaan verdelen. Dus: gericht negeren als kinderen ruziën, en juist aandacht geven als ze iets goed doen.

Het is verleidelijk om een kind dat lief speelt met rust te laten. Zeker als er nog veel meer kinderen zijn. Maar juist dan geef je de boodschap dat hij beter kan klieren. Want dan wordt hij gezien. Los van dit alles: als je een kind leert dat hij met ruzie aandacht krijgt en dat de leiding de ruzie komt oplossen, leer je hem niet om zijn sociale conflicten zelf op te lossen.

Een kind moet ook steeds meer zelfstandig zijn ruzietjes kunnen aanpakken. Het is goed als kinderen deze handvatten aanleren. Je kunt dat doen door te helpen en strategieën voor te doen. Het is echter ook van belang dat je kinderen dit zelf laat doen en hen beloont als dit goed lukt. Daarvoor kun je een stappenplan afspreken.

Als je als leiding vooraf bespreekt hoelang je wacht met ingrijpen en wat je wel/niet doet, dan gaat het automatisme van snel ingrijpen er vanzelf af. Je moet daarin de grenzen helder hebben: wanneer is ingrijpen echt noodzakelijk? Bijvoorbeeld wanneer kinderen gevaar lopen, of wanneer andere kinderen er heel erg veel last van hebben. In dat geval kun je bijvoorbeeld afspreken de kinderen meteen uit de situatie te halen waarin ze zitten: oppakken en even apart zetten.

Als blijkt dat de kinderen wat zitten te ruziën maar geen gevaar lopen of andere in de problemen brengen, dan kun je het even aankijken. Zo leren ze sociale vaardigheden aan en zich weerbaar ten opzichte van elkaar op te stellen. Lukt het hen om de ruzie bij te leggen, ga er dan naartoe en geef een compliment. Want dat is eigenlijk de aandacht veel meer waard!